De vrouw op het perron

Op het perron van Delft staat plotseling een vrouw voor Cornelia die als twee druppels water op haar lijkt. Geschokt kijken ze elkaar een ogenblik aan. Dan draait de ander zich om en verdwijnt.
Cornelia raakt ervan overtuigd dat ze haar tweelingzusje ontmoet heeft. Maar dat kan niet; die is kort na haar geboorte overleden. Wie is dan toch die vrouw op het perron? Haar verwarring is compleet als ze een gele roos vindt. Zet deze haar op het spoor van de waarheid?

De vrouw op het perron is een fictief verhaal dat zich tijdens de jaren zestig in Rotterdam, Delft en Den Haag afspeelt.

Couverture De vrouw op het perron

Inzien

Hoofdstuk 1 Delft, 20 januari 1968
Als te zware gewichten zakten haar boodschappentassen naar beneden. De vrouw die tegenover haar stond, leek als twee druppels water op haar.
Cornelia’s mond zakte open. Haar hart bonsde tegen haar ribben. Langzaam voelde ze zich week worden in haar knieën.
Een vrij rond, blozend gezicht omringd door een bos kastanjebruine krullen, die onder een vilten hoed tevoorschijn kwamen. Een grof wollen jas met overdreven grote knopen. Gloednieuwe veterschoenen aan haar voeten.
Het was haar spiegelbeeld.
Reizigers om hen heen haastten zich. Een moeder trok haar blèrende zoontje met zich mee. Zijn beer viel op de grond waardoor het kind nog harder begon te schreeuwen, tot iemand het stuk speelgoed opraapte en aan het kind teruggaf. Een jongeman spoedde zich met een fiets aan de hand langs haar. Enkele schoolmeisjes liepen giechelend en stevig gearmd achter een oude man die moeizaam vooruitkwam. De eentonige stem van de NS-omroeper klonk. Een witkiel floot tussen zijn tanden en reed behendig een kar vol koffers door de menigte.
Zij stond nog steeds als aan de grond genageld. Oog in oog met de vrouw. Haar gedachten verstard. Haar blik geen moment afwendend. Plotseling draaide de ander zich om en maakte zich uit de voeten. Het was of Cornelia werd wakker geschud. Ze gaf een kreet. Haar spieren spanden. Ze pakte snel haar volle tassen op. In de zenuwen greep ze naast een van de hengsels waardoor de tas scheef opzij viel. Enkele paars-witte knolletjes rolden eruit. Met een lichte kreet greep ze de hengsels opnieuw beet en probeerde zich een weg te banen door de menigte. Nog net zag ze de vrouw de hoek omgaan.
Ze ging nog wat harder lopen, botste tegen een man die van rechts kwam en kreeg een stortvloed van scheldwoorden over zich heen. Ze omzeilde de man met de fiets, struikelde, maar kon zich nog net overeind houden. Eindelijk kwam ze in de stationshal. Maar het enige wat ze zag, was de kruier die met zijn kar bij de ingang stond. De vrouw was verdwenen.
Enkele ogenblikken bleef ze de lege hal in kijken. Ze draaide zich om en liep traag terug naar het perron. Het was minder vol. Haar trein stond met wijd open deuren te wachten. Ze zag haar knolletjes liggen. Net wilde ze deze oprapen toen het schelle fluitsignaal van de conducteur weerklonk. Ze was nog niet binnen of de deuren klapten dicht. De trein kwam in beweging en verliet perron 1 van station Delft.
Ze trilde op haar benen. Het bloed was haar naar het hoofd gestegen. Ze klampte zich vast aan een leuning en keek zoekend om zich heen. Een eindje verder was nog een plaats vrij. Ze liet een zacht ‘pardon’ horen en wrong zich voor enkele wegdraaiende knieën langs. Met een diepe zucht liet ze zich op de lege plaats vallen en trok haar tassen half op haar voeten om de jongeman met lange benen tegenover haar wat meer ruimte te geven. Langzaam drong het tot haar door wat haar overkomen was. Hoe was het mogelijk dat deze vrouw zo sprekend op haar leek? Zou het? Ze kon het toch niet zijn? Was ze gek geworden? Ze hoorde een stemmetje in haar binnenste dat het ritme van de trein overnam: het kan niet, het kan niet, het kan niet. Ze kreeg het warm en opende met trillende handen de bovenste knoop van haar jas. Ze hapte naar lucht.
Wie was deze vrouw?
De jongeman stond op en verontschuldigde zich. Ze mompelde iets terug en ging een eindje opzij. Haar blik gleed van de lege plaats naar buiten. Den Haag! Vlug, ze moest uitstappen. Bijna was ze haar station voorbijgereden.
Ze pakte haar boodschappen en baande zich een weg door de smalle gang. Een man bij de deur bood aan haar te helpen uitstappen. Cornelia hoorde hem niet. Moeizaam nam ze de hoge tree en belandde op het perron.
Nu naar huis. Ze verliet het station, stak over en versnelde haar pas toen een tram waarschuwend tingelde.Vervolgens de Stationsweg door. Deze scheen haar langer dan anders. Na enkele minuten bleef ze even staan om op adem te komen en  haar tassen van de ene naar de andere hand te wisselen. Ze leken zwaarder en zwaarder te worden. De stem in haar klonk luider: het kan niet, het kan niet.
Het lopen ging steeds moeizamer, maar ten slotte kwam ze in de Kikkerstraat aan. Eindelijk was ze thuis. Ze zette haar boodschappen neer, stak de sleutel in het slot en bleef even onbeweeglijk staan. Had ze het niet gedroomd? Opnieuw zag ze het gezicht van de vrouw voor zich. Die kastanjebruine krullen. En ook nog diezelfde kleding. En nieuwe schoenen. Net als de hare! Kort geleden in de stad gekocht. Bruine veterschoenen van het merk Nova.
Cornelia deed de deur open, sloeg hem achter zich dicht en stommelde de trap op. Binnengekomen gooide ze haar jas over de kapstok, zeulde haar tassen naar de keuken en liet zich op de keukenstoel zakken. Het bonkte nu in haar hoofd: HET KAN NIET. HET KAN NIET. Ze legde haar handen over haar oren.Wezenloos staar- de ze voor zich uit. Lang kon ze het trillen van haar onderlip niet bedwingen.